Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image
Scroll to top

Top

Hoepelen

Hoepelen

Hoepelen

De Grieken zagen het hoepelen als een buitengewoon gezonde oefening voor mensen met een zwak gestel: de grote geneesheer Hippocrates beveelt het aan in een van zijn verhandelingen over de geneeskunst van ca. 300 v.Chr.

Spelletjes met een hoepel speelden een grote rol bij de Indianen van Noord-Amerika, met name om jongens zuiver te leren mikken. In een hoepel werd een net geweven of er werd een ongelooide huid overheen gespannen; dan rolde men de hoepel tussen twee rijen spelers door, die pijltjes op het bewegende doel moesten gooien.

Het rollen met een houten hoepel was een bekend tijdverdrijf bij alle Europese kinderen in de negentiende eeuw.

De ‘hoela-hoep-rage’ van de zestiger jaren voegt nog een extra hoofdstuk toe aan de geschiedenis van de hoepel: hierbij ging het erom de hoepel zwierig om je middel te laten draaien.

Weer stelden de doktoren vast dat het een goede lichaamsbewe ging was.

Spelregels:

Er is veel oefening voor nodig om de hoepel rechtop te houden en om hem in een rechte lijn te laten rollen. Om de hoepel aan de gang te krijgen, pakt men hem tussen de vingers en duim van een hand vast, met de wijsvinger gestrekt langs de buitenste rand. Buig voorover en geef de hoepel een flinke zet. Terwijl men ernaast of er vlak achter blijft rennen, brengt men de hoepel vooruit door er zo nu en dan met een stokje of met de vlakke hand tegen te slaan.

Om hoelahoep te spelen, gaat men in de hoepel staan, houdt hem horizontaal tegen het middel en geeft hem een zet. Door een draaiende beweging van de heupen moet de hoepel nu in een tollende beweging blijven. Er is erg veel oefening voor nodig.

Mijn Hoepel, die veel moeite kost,

Door een gestadig loopen,

Heeft nimmer mij van werk verlost,

‘k Moest evenwel hem koopen,

Omdat hij tot ons spel behoort;

Ik loop dus, spelend, met hem voort;

Maar, ach! hoe schaadlijk is dit spel,

Waardoor ik mij vermoei en kwel.

Men loopt zich moê, en buiten magt,

Als dwaas en onbedreven,

En doet men ’t niet,

kan niemand kracht

Aan ’t loopend hoepje geven.

Dan, ’t is gewis, elk kiest het zijn’,

De een mint het ware , een ander schijn .

Laat ieder in zijn keuze vrij,

Ik min geen spel met slavernij.